Schrijversvakschool


Columns van docenten


Een beter mens - Nicolien Mizee

‘Kees, zo komen we er niet. Dit is geen literatuur.’
Doodse stilte in de klas.
‘En wat is het dan wel?’ vraagt Kees.
‘Het is een streekroman,’ zeg ik. ‘Dat is ook een genre, maar niet wat je voor ogen hebt, denk ik.’

‘En hoe maak ik er dan literatuur van?’
Dat is een goeie. Volgens Karel van het Reve is de bewering dat een boek niet tot de literatuur behoort even onzinnig als de vaststelling dat een slecht schilderij niet tot de schilderkunst behoort.
‘Om te beginnen de personages. De slechte directeur. De brave knecht. De koele carrièrevrouw. Ze zijn op de eerste bladzij slecht en nobel en kil en ze zijn het op de laatste bladzijde nog steeds. Er gebeurt niks. En bij literatuur gaat het er toch om dat we verrast worden. Dat we aan het eind denken: alles is anders dan ik had gedacht! De wereld, het leven, dit boek!’ 

Ik denk aan mijn leraar Nederlands die, lang geleden ‘Max Havelaar’ omhooghield en zei: ‘Na het lezen van dit boek voelde ik me een beter mens.’
Ik lachte mee met de klas maar vergat het nooit meer. 

‘Als je nou die directeur braaf maakt en die knecht kil en die carrièrevrouw nobel,' helpt Corrie. En terwijl ze zich bezorgd naar hem toe buigt: ‘Gáát het, Kees?’
Aardig bedoeld maar fataal, Kees grijpt naar zijn zakdoek. 

Thuis trek ik ‘Het Rad van Fortuin’ van Thea Beckman uit de kast, een kinderboek dat door ‘de schrijflui’ nooit tot ‘de literatuur’ zal worden gerekend. Aan de rand van het schutblad staat in minuscule potloodletters: blz 93.
Hoewel ik de zin uit mijn hoofd ken, ga ik naar bladzijde 93 en lees: ‘Beide mannen weten dat Cuveliers moed niet een kwestie is van sterke armen, doodsverachting en dierlijke bloeddorst, maar het voortdurend overwinnen van de angsten uit zijn kinderjaren.’
Ik was twaalf toen ik deze zin las en mijn hart sprong uit mijn borst. Het mág, dacht ik, het mijne telt óók!
Herkennen gaat aan weten vooraf. Bijna onzichtbaar schreef ik het bladzijnummer op het schutblad, hoewel ik het nooit meer zou vergeten: op bladzij 93 stond de rechtvaardiging van mijn bestaan, voor toen en altijd.
Geen literatuur misschien, maar een steengoeie zin. 

 

Alle docentencolumns

Invalid Input
Invalid Input
Invalid Input